Je bent pas zeven jaar als je depressieve moeder je probeert te vermoorden. Godskolere.

Je bent pas zeven jaar en je woont met je moeder en je broertje van twee tijdelijk op een vakantiepark. Om de week ga je naar je vader. Je ouders liggen in scheiding.

Als je moeder werkt, ben je soms bij oma en opa. Dat was die vrijdag niet anders. Je speelt tot je moeder je weer op komt halen. Ze kookt voor je. De dingen gaan zoals ze overal en altijd gaan. Ook de zaterdag begint normaal. Knutselen. Spelen. Samen met je broertje Ruben doe je de dingen die alle kinderen doen op een zaterdag. Waarom zou deze dag anders zijn? Wie verwacht dat de dood nabij is?

Dan begint het.

Jij weet het nog niet, maar je moeder neemt je broertje mee naar boven. Stopt een prop in zijn mondje en drukt een kussen op zijn gezicht. Hij spartelt en begint te huilen. Je moeder trekt hem even naar zich toe. Pakt dan de ceintuur van haar badjas om de adem voorgoed uit zijn lijfje te halen. En stopt pas als het jochie helemaal wit ziet. Dan legt ze zijn nog warme lichaam in een lege doos, waar ooit haar kerstpakket in zat. En neemt je apart.

Het is je eigen moeder die je vertelt dat ze dood wil. Dat iedereen dood moet. Dat ze eigenlijk het gevoel heeft dat iedereen al dood is. Dat ze alles al heeft verloren. Dat ze het financieel niet meer op een rijtje krijgt. Maar dat jullie wel allemaal naar de hemel gaan.

Oneindig vertrouwen

Zeven jaar ben je. Het vertrouwen in je moeder is dan nog oneindig. Zij is al die jaren de norm en de waarheid geweest. En dus pak je wat knuffels en een fotoboek. Omdat je weet dat je moeder er straks niet meer zal zijn. Met het fotoboek heb je naar eigen zeggen nog wat herinneringen aan haar als ze dood is. Want dat is wat ze wil.

Je bent bang. Dat wel. Ze heeft immers gezegd dat jij ook dood moet en dus vraag je of je naar oma mag. Het antwoord is niet duidelijk, maar je moeder loopt naar de auto. Je gaat mee en stapt in. Zo op het eerste gezicht lijkt alles goed te gaan. Je herkent de route. De weg die naar de woning van opa en oma zal leiden.

Dan gaat het mis.

Vlak voor het huis van oma zet je moeder de auto in de achteruit. Je ziet het gebeuren. De auto knalt bewust en in volle vaart een brede en diepe sloot in. En loopt razendsnel vol met water. Je wilt er zo snel mogelijk uit. Maar dat gaat niet. Je voelt hoe een hand je voet pakt en stevig ook. Het is je eigen moeder die aan je trekt. Je moet blijven. De dood is in de buurt. Dat voel je. Wie is er om je te beschermen? In paniek schop je haar van je af en kruip je door een ruit van de auto. Weg van de dood die ineens ook voor jou zo akelig dichtbij is.

Daar sta je dan. Drijfnat en koud. In de war. Geschokt. Je ziet dat ook je moeder het snel zinkende voertuig verlaat. Op de kant steekt ze haar tong naar je uit. Je loopt weg. In de richting van oma. Naar de plek waar je nog wel veilig jezelf kunt zijn. Weg van het drama.

Zinkende auto

De zinkende auto heeft dan al de aandacht getrokken van omwonenden. Niet veel later arriveren de eerste agenten. Als een van hen in het water springt om in de auto te kijken, ziet hij wat niemand wil zien. Uit de achterkant van de wagen haalt hij een jongetje van twee. Blauw en koud. Om zijn hals zit nog de ceintuur van de badjas van zijn moeder. Veel duidelijker gaat het niet worden. Ruben zal nooit drie worden. De vrouw die hem ooit ter wereld bracht, heeft hem er ook weer afgehaald. Je opa is ontroostbaar over het verlies van zijn kleinzoon. ‘Hij was twee en kon net opa en oma zeggen.’

Zeven jaar ben je en je hebt net je broertje verloren. De politie wil met je spreken. Je zegt dat mamma gek is geworden. Je gaat naar huis, waar je pappa wacht. Je bent in shock. Het duurt weken voor je weer van je eigen bord durft te eten. Was het immers niet mamma die had gezegd dat ze je zou vergiftigen? In de brand zou steken zelfs? Met intensieve therapie beleef je alles opnieuw. Omdat die man in die witte jas zegt dat het goed voor je is. Je vader wijkt niet van je zijde.

Je bent zeven jaar oud. Te jong om te weten dat je moeder al op haar 17e stemmen hoorde. Dat ze ooit opgenomen was in een kliniek omdat het gewone leven te zwaar was geworden. En dat ze als moeder van twee kinderen sterke pillen nodig had om toch nog wat licht te krijgen in het donker in haar hoofd. Je bent nog maar zeven jaar oud en je hebt nog nooit gehoord van de term psychose. Van depressies die alomvattend kunnen zijn. Van de gevaren van het afbouwen van medicatie. Je wist het niet. Dat liefhebbende mamma’s kunnen veranderen in moordlustige wezens. Waarom zou je ook? Wie denkt er op zijn zevende nu aan een moeder die je niet alleen het leven kan geven, maar ook ontnemen?

Nu weet je het wel. Je hebt je broertje verloren. En je moeder. Deskundigen vrezen dat je nog steeds niet veilig bent als ze ooit weer in je buurt zal komen. Want dat is wat ze wil. Ze heeft het zelf gezegd: ‘Ik weet niet wat mijn gedachten waren. Ik dacht: iedereen om wie ik geef is voorgoed weg of dood. Ik kan het water nog om mij heen voelen. Maar het blijft zo onwerkelijk, zo ongrijpbaar. In die nacht is haar broertje en haar moeder haar afgenomen. Ik wil mijn dochter weer zien, die vreselijke dingen…dat is haar laatste herinnering aan mij. Dat is niet goed voor haar. Ik was wel haar moeder.’

Te groot drama

Je vader zal nooit meer dezelfde zijn. Eigenlijk wil hij er niet meer zijn. Het drama dat hem trof is te groot om ooit nog te kunnen bevatten. Hij kan er niet over uit. Waarom zocht zijn vrouw geen hulp? Waarom trok zij niet aan de bel, zoals ze vroeger wel deed? Hij kan het niet met zekerheid zeggen, maar het is wel het gevoel dat steeds maar weer door zijn hoofd maalt. Een simpele hulpvraag had in zijn beleving het leven van Ruben kunnen redden. ‘Het leven zonder mijn zoon is niet voor te stellen. Mijn wereld stortte in toen ik het hoorde. Ik was verslagen. Er gaat geen geen minuut voorbij dat ik niet aan hem denk. Ik weet niet hoe het zou zijn gegaan als ik ze allebei had verloren. Nu heb ik mijn dochter nog om voor te zorgen.’

De vader moet door. Zijn wil om verder te leven komt alleen nog maar door jou.

Je bent nog maar zeven jaar.

Godskolere.

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je me nog veel meer. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -
Delen