misdaad

Kokervisie

Nederland schijnt soms bang te zijn. Voor een in onze ogen fanatieke religie. Of een aan alle kanten ‘oprukkend’ leger criminelen. Voor een wankele beurs.

Onze eigen veilige wereld. Zomaar van buitenaf aangevallen.

Maar is die eigen alledaagse wereld wel zo veilig?

Moord en doodslag lijkt een ver van ons bed-show. Toch vallen akelig veel slachtoffers daar waar we het eigenlijk niet verwachten. In het eigen netwerk. Het ultieme einde van huiselijk geweld.

Seksueel misbruik. Van hetzelfde laken een pak. De oom. De opa. De huisvriend. En laten we de vader niet vergeten. In de huiskamer. De slaapkamer. Of het schuurtje.

Zo veilig zijn we niet in ons eigen wereldje. En zelfs niet daar vlak buiten.

Gerda gaat op een dag met haar man een stukje fietsen. Het echtpaar fietst op een niet al te brede weg, naast elkaar. Alles lijkt goed. Er is genoeg ruimte voor auto’s om te passeren. En Gerda houdt er niet van om achter haar man te fietsen.

Raymond heeft die ochtend net zijn vrouw naar de stad gebracht. Hij rijdt terug naar huis, om nog wat te werken. Daarna heeft hij een teleconferentie met zijn collega’s. Handig en je hoeft er niet de weg voor op met zijn allen.

Raymond is de middelste in een treintje van drie.

Op een niet al te brede weg ziet hij ineens het knipperlicht van de auto achter hem. Hij besluit uiterst rechts te gaan rijden om ruimte te maken voor de man die meer haast heeft dan hij. De auto komt voorbij. Raymond checkt zijn spiegel, zijn kilometerteller. Hij kijkt even kort naar een reclamebord en ziet dan een blauwe vlek voor zijn ogen.

De blauwe vlek was Gerda. Ze werd 78 jaar. Haar man raakt gewond. Hij komt de volgende dag alleen thuis.

Raymond is er slecht aan toe. Mentaal. Hij voelt zich na de klap een moordenaar.

Zijn advocaat spreekt van een trieste zaak. Voor het slachtoffer. Voor de nabestaanden. Maar ook voor de automobilist zelf. Hier kon hij niets aan doen. Automobilisten kijken nu eenmaal niet elke seconde van de rit op het wegdek. Dat bestaat alleen in theorie.

Automobilisten scannen de omgeving. Ze zien verkeersborden en kijken in hun spiegels. Een mens heeft geen kokerogen, volgens de raadsvrouw. Wie naar zijn kilometerteller kijkt, ziet heus ook nog wel ergens wat er voor hem aan de hand is. Wie in de auto zit, ziet wel eens schaapjes in het weiland. De was op een lijn bij een boerderij.

Niemand kijkt uur na uur stuurs voor zich uit.

De advocate benadrukt dat de automobilist niet onvoorzichtig of roekeloos is geweest. Dat hij niet had gedronken. Niet te hard had gereden. Hij zat niet te rommelen met een cd’tje. Geen telefoon aan zijn oor. Eigenlijk deed Raymond niet wat velen wel doen.

Uiteindelijk heeft hij de fietsers gewoon niet gezien.

Maar eigenlijk zegt ze iets heel anders. Eigenlijk zegt ze dat u net zo goed daar in die auto had kunnen zitten. Of op die fiets. Eigenlijk zegt zij dat dit soort ongelukken niet te voorkomen zijn. En dus opnieuw zullen gebeuren. Misschien morgen wel. Of overmorgen. Misschien bent u wel de volgende kandidaat.

Wellicht denkt u over een week wel een moordenaar te zijn. Ligt u nachten wakker van het idee kinderen een moeder te hebben ontnomen.

Ik ken Gerda niet. Nooit ontmoet. Maar misschien was ze wel bang voor de misdaad in de grote stad. Of voor de islamisering. Misschien had ze kinderen. Een dochter. Iemand die van haar niet alleen in het donker over straat mocht. Want je weet maar nooit.

Misschien zag Gerda overal beren op de weg. En had ze nooit verwacht dat het echte gevaar akelig dicht in de buurt was. Daar waar ze het nooit had verwacht.

En misschien verliest u morgen of overmorgen wel een dierbare aan een angstbeeld waar we terecht bang voor moeten zijn.

De realiteit van alledag.

Delen