Home > blendleexport > ‘Een moord? Ik wil mijn pizza!’
blendleexportOffcourt

‘Een moord? Ik wil mijn pizza!’

Hij is boos. Laaiend. Wat doen die mensen allemaal in godsnaam voor zijn deur? Ga weg! De stoep voor zijn woning is al een uur lang verboden terrein. Slordig gespannen rode politie-linten houden alles tegen wat er niet hoort. Inclusief de pizzakoerier.

Vanuit het raam van zijn appartement slingert hij zijn woede hard de wereld in. Luid en duidelijk en met een niets aan de verbeelding overlatende verontwaardiging. Dat het een groot schandaal is dat hij zijn pizza niet krijgt. En of de politie zich even snel uit de voeten wil maken. Weg van zijn stoep. Van zijn wereld. Wie denken jullie wel niet wie jullie zijn? ‘Iemand om het leven gekomen? De buurvrouw? Wat heeft hij daar in godsnaam mee te maken?’

De man is ongewild onderdeel van een plaats delict (PD). Want zo heet een plek waar net een moord is gepleegd. Ooit zo bedacht. Geen idee door wie. Nogal zakelijke term.

Een PD is meestal een uiterst surrealistische plek om te zijn. Veel kijkers. Er hangt vaak een wat bijzondere mix van emoties. Van grote schrik. Verbijstering. Zenuwen. Zwarte humor. De drang om meer te zien dan toegestaan is.

En een raar soort opluchting. Tastbaar zelfs. Alsof de levenden blij zijn dat de gewelddadige dood iemand anders getroffen heeft. Alsof praten en grappen maken ze verder weg brengt van de trieste realiteit. Dat het uiteraard allemaal heel erg is. Natuurlijk. Maar dat wij godzijdank nog leven. Wij wel. Het noodlot is vandaag een deurtje verder gegaan. Niemand die het hardop zal zeggen. Maar dat wat niemand uitspreekt, klinkt soms harder dan de diepste stilte.

Voor een journalist is – hoe gek het ook klinkt – een plaats delict een dankbare plek. Mensen willen praten. Bijna allemaal. En graag. Heel graag. Gretig. Iedereen heeft een verhaal en dat verhaal moet de wereld in.

‘Ja. Natuurlijk kennen we haar. Zij is de dochter van die en die. Ze heet Danielle en werkt daar op de hoek. Ze heeft een nieuwe vriend. Volgens mij ging het niet goed tussen die twee. Drank en drugs, meneer. U weet wel. Hoop lawaai ook daar. Dat hoor je wel hoor. Dunne muurtjes, meneer. Ik heb het altijd wel gedacht. Zie je die man? Die weet nog wel meer. Hij woont pal naast haar. Waar bent u ook al weer van? Nee, die krant lezen we normaal niet. Morgen maar even snel kopen dus. Maak je er een mooi stukje van?’

Anonimiteit

De opluchting heerst rond een plaats delict. Tot het onvermijdelijke moment waar ik zelf nog het meest last van heb. Het moment dat je mensen aan ziet komen die helemaal niet opgelucht zijn. Integendeel. Het is alsof de dood ineens vanuit de anonimiteit naar voren komt. Een gezicht krijgt. Omgeven door verdriet. Een schokgolf die pijnlijk door de menigte deint.

De nabestaanden.

Soms letterlijk grijs van ellende. Soms doodstil. Alsof ze er niet willen zijn. Soms schreeuwend. Van pure verbijstering. Ongeloof. Gedragen door geliefden. Of alleen. Volkomen de weg kwijt. Verstarde angst in de ogen. Soms niet eens in staat om zelfstandig overeind te blijven. Je ziet ze in volle wanhoop denken: dit kan niet waar zijn. Dit gebeurt niet echt. Zeg ons dan dat het niet waar is. Dat het niet onze Danielle is die daar ligt.

Linda is zo’n nabestaande. Ruim twintig jaar geleden was ze de gelukkigste vrouw op aarde. De eerste keer dat ze de net geboren Danielle in haar armen mocht houden. Ruim twintig jaren mocht ze genieten van haar dochter. Toen kwam de dood hard langs.
Maanden na het vreselijke incident zit ze voor me. In een houten stoel in de rechtbank. Achter een harde tafel in een kille zaal. Het publiek achter haar is stil. Gedragen stilte. Hier en daar schuiven mensen ongemakkelijk op hun stoel. Bijna iedereen kijkt naar de grond. Alsof luisteren alleen al een te grote inbreuk is op het intense leed van een ander.

De stem van Linda klinkt geknakt. Ze praat met geknepen stem over de stoel die met Kerst leeg is. De stilte die altijd oorverdovend voelt. Het geluk dat nooit meer terug zal komen. Over de oma die ze nooit zal zijn. Het altaar waar ze haar nooit weg zal mogen geven. Over het ongeloof na het verpletterende telefoontje. Het wankele evenwicht tussen hoop en vrees. Misschien een vergissing? Nee! Het is niet waar. Niet Dani. Niet mijn Dani. Dit kan niet waar zijn. Dit mag niet waar zijn.

Over leuke dagjes naar de Efteling die alleen nog maar op papier leuk zijn. Over het afgrijselijke verlangen naar zelfmoord. En dat Linda dat eigenlijk helemaal niet wil. Omdat ze door moet. Maar er gewoon moeten zijn. Iedere dag maar weer. Ook dat wil ze niet. Niet meer. Waarom nog?

Groot gemis

Het grote geluk heeft het leven van Linda verlaten. Haar dochter was nog net geen 21 jaar toen ze stierf. Danielle. Zij was het die op 1 juni levenloos op zolder lag toen haar buurman de wereld boos vertelde over het grote gemis van zijn verloren pizza. Haar lichaam bedekt met bloed. Haar dode lijf met de minuut kouder.

Gestoken. Door haar eigen vriend. 22 keer. In haar rug. Borst. Hals. Gezicht. Handen en armen. Door haar longen. Tot in het hartzakje. Ze had geen schijn van kans. Tegen een gekwetste man die zeker dacht te weten dat zij vreemd was gegaan. Tegen de overmoed en de grenzeloosheid van een gram cocaïne. En een vlijmscherp mes.

Voor de dood van Danielle kun je in de volksmond krachtige termen vinden. Maar de medische term zegt eigenlijk alles: verbloeding. Kostbaar levensbloed dat doelloos wegstroomt in het lichaam.

De boze buurman die zijn pizza niet kreeg, moet voor zijn aanklacht tegen de wereld bij Linda zijn. Want als Linda haar dochter niet op de wereld had gezet, dan was zijn pizza die dag gewoon bezorgd. Zo liggen de keiharde feiten.

Misschien dat hij haar op moet bellen. En moet vragen hoe het voelt. Om een dochter te verliezen.

In plaats van een pizza.

De naam Linda in dit verhaal is gefingeerd. De rest niet.