misdaad

'Pappa, help me dan!'

Je ligt heel klein te zijn in een groot ziekenhuisbed. En je hebt pijn. Heel veel pijn.

In je handje verdwijnen slangetjes, naast je staat een koud ijzeren apparaat met een knopje. Je mag van de dokter zelf drukken als de pijn te zwaar is om te dragen. Maar je doet het niet omdat het bevrijdende knopje je misselijk maakt.

Je handje zoekt de knop alleen als je helemaal geen uitweg meer ziet. Als je wel moet omdat de pijn alles wegvaagt.

Je gebroken lijfje geeft je nu geen opties meer. Wat je ook doet, het levert je pijn en ongemak op. Je zegt het niet meer aan te kunnen. De paniek straalt van je krom getrokken lijfje.

Als je naar mij kijkt, zie ik een gezichtje waar de pijn in staat. Je kermt. Het zou een hele harde schreeuw zijn geweest als je er de kracht voor had:

‘Pappa, help me dan!’

Maar pappa kan je niet helpen. Kon hij het maar. Was hij maar in staat om die vreselijke pijn over te nemen. Hij zou het binnen een halve seconde doen.

Maar het gaat niet. Je moet het zelf doen. Zes jaar nog maar en nu al met de ambulance naar het ziekenhuis. Naar een operatie-tafel. Twee pinnen in je kleine lijfje.

Arme schat.

Je bent altijd een bijzonder jochie geweest en ik denk je goed te kennen. Al ken ik je nog maar zes jaar. Ik herken je angsten en je overprikkeling. Je prachtige gevoeligheid waar je later zo veel profijt van kunt hebben. Maar ook zo veel last.

Ik weet hoe kwetsbaar je bent. Hoe gevoelig voor verandering en chaos.

Nu lig ik naast je. Het is warm en donker in het ziekenhuis. Je zweet. Ik hoor je rustige ademhaling en vrees voor wat komen gaat. Het kermen. De pijn. De paniek. Ik doe wat ik kan, maar weet nu al dat ik tekort kom. Dat ik de snijdende pijn in je gebroken lijfje niet weg kan nemen.

En dat vind ik vreselijk.

Lieve zoon. We delen door het lot iets waar we nu totaal niet mee om kunnen gaan.

Jij de pijn. Ik de onmacht.

Delen