analyse

Voor een rechtbank is niet iedereen gelijk

In een ideale wereld kijkt een rechtbank objectief naar het bewijs en de verdachte om tot een afgewogen en rechtvaardig oordeel te komen. Maar we leven niet in een ideale wereld. Niet iedere verdachte krijgt dezelfde kansen en dezelfde behandeling. Maar is er in Nederland eigenlijk sprake van klassenjustitie? Ik denk het wel.

Het is buitengewoon lastig om te bepalen of rechters in Nederland onterecht onderscheid maken op basis van bijvoorbeeld afkomst en/of sociaaleconomische status. Iedere (straf)zaak is immers uniek en vele factoren bepalen in onderlinge samenhang de uitkomst.

Daar komt bij dat het aanleggen van een andere norm tot op zekere hoogte ook past bij maatwerk. Er zit bijvoorbeeld logica in een beslissing om een verdachte met een baan en een sociaal netwerk minder snel naar de gevangenis te sturen.

Dit verhaal moet dan ook gezien worden als een voorzichtige verkenning. Niet meer en niet minder.

Het is echter wel een gegeven dat rechters bedrijven en instanties opvallend vaak gelijk geven in rechtszaken waar burgers hun recht willen halen. Uit cijfers over 2017 blijkt bijvoorbeeld dat de overheid in driekwart van alle gevallen een zaak van een burger wint. Uit onderzoek blijkt ook dat allochtone daders vaker en een (zwaardere) gevangenisstraf krijgen opgelegd dan autochtone daders.

Gevoel

Eerst maar eens mijn eigen gevoel. Waarbij ik meteen aangeef dat dit, ondanks mijn ervaring van meer dan 9000 rechtszaken in twintig jaar tijd, uiteraard subjectief is. Wat ik echter door alle jaren heen en bij verschillende rechtbanken wel ervaar is dat verdachten met een zekere status meer ruimte krijgen in de rechtszaal en er eerder waarde wordt gehecht aan hun verklaringen.

Met een goede opleiding, een zekere charme, een net voorkomen en een goede baan heb je een streepje voor in de rechtszaal. Verklaringen worden anders gewogen, straffen vallen lager uit.

Werkstraf

Nog niet zo lang geleden werd de voormalige politiebaas Ad Smit, na een eis van zes maanden celstraf, veroordeeld tot een werkstraf. Vorige week kwam voormalig PVV’er Hero Brinkman weg met een partiële vrijspraak en nul uren taakstraf na een eis van zes maanden cel. Beide heren kregen tijdens de strafzaak opvallend veel ruimte en tijd om de eigen standpunten naar voren te brengen.

Dit zijn geen incidenten. Vorig jaar bijvoorbeeld stonden twee leidinggevenden van grote bedrijven (waaronder Walibi) terecht voor vreselijke bedrijfsongelukken. Hoewel ze als indirect betrokkenen werden vervolgd, werden ze alsnog opmerkelijk milder bejegent dan de gemiddelde verdachte.

In beide gevallen volgde vrijspraak.

Anekdotisch

Hoewel dit natuurlijk anekdotisch is allemaal, kan ik zo moeiteloos een tijd doorgaan. Zo stond nog niet zo lang geleden een telg uit een beroemde winkelketenfamilie voor de rechter voor zijn aandeel in de avondklokrellen. Hij sloot die dag de rij af van in totaal negen verdachten, maar was de enige bij wie de politierechter meteen oprecht vroeg hoe het nu met hem ging.

Nu zou je kunnen denken dat klassenjustitie helemaal niet kan werken omdat een rechtbank gewoon moet oordelen over een papieren dossier. De bewijzen in dat dossier kun je immers neutraal wegen. Maar zo werkt de rechtspraak in Nederland niet.

Een rechtbank kijkt namelijk naar wettig (bijvoorbeeld aangifte, sporen) én overtuigend bewijs. En in dat laatste zit hem de kneep. De overtuiging dat iemand de waarheid spreekt (aangever of getuige) of liegt (de verdachte of een getuige) is een tamelijk ongrijpbaar iets. Want wanneer klinkt iets waarachtig en wanneer leugenachtig?

Een slachtoffer dat tegenstrijdig verklaart wordt vaak gezien als iemand die zich door de nare omstandigheden niet alles meer helemaal juist weet te herinneren. Een verdachte die wankel verklaart, wordt opvallend vaak gezien als kennelijk leugenachtig. Als iemand die een verhaal bewust anders maakt om niet veroordeeld te worden.

Subjectief

In beide gevallen is de wankelheid in de verklaringen dezelfde, maar de uitkomst anders. Bewijzen zijn bewijzen, maar of een rechtbank op basis van persoonlijke verklaringen van anderen de overtuiging heeft dat een verdachte schuldig is, dat is al per definitie subjectief. De overtuiging hangt vaak grotendeels op een inschatting van het verhaal van de betrokkenen en dan lijkt het er in mijn beleving wel erg sterk op dat rechters betrokkenen waar ze zichzelf enigszins mee kunnen identificeren eerder geloven. Het ons-kent-ons-principe.

Het is kennelijk moeilijker om aan te nemen dat mensen van een bepaalde statuur of met een bepaalde functie liegen. Dit gaat overigens zelfs zo ver dat een verklaring van een agent (op ambtseed) in de rechtbank wettelijk altijd wordt gezien als een juiste verklaring.

Onderzoek

Zoals al eerder gezegd; dit zijn slechts subjectieve beschouwingen. Tijd dus om eens te kijken naar onderzoek op dit gebied. Hoewel de politiek onlangs heeft gevraagd om nieuw onderzoek, stammen de laatste uitgebreide bevindingen uit 1999.

In die overzichtsstudie (literatuurstudie) van de Erasmus Universiteit in Rotterdam staat de volgende samenvatting:

De resultaten wijzen uit dat bij verschillende beslissingen in de strafrechtketen selectiviteit optreedt ten aanzien van de sociaaleconomische achtergrond van (potentiële) verdachten of veroordeelden: personen met geringe sociaaleconomische hulpbronnen worden anders behandeld dan personen met (boven)gemiddelde sociaaleconomische hulpbronnen.

Een beetje wollige omschrijving, maar het wordt duidelijker als je weet wat de onderzoeker schaart onder sociaaleconomische hulpbronnen; opleidingsniveau, inkomen, economisch bezit, beroepsstatus, arbeidsstatus of etniciteit.

De onderzoeker vervolgt met de stelling dat veel onderzoek laat zien dat in de rechtszaal selectiviteit optreedt ten aanzien van de opgelegde strafsoort en – modaliteit: verdachten met geringe economische hulpbronnen krijgen naar verhouding vaker onvoorwaardelijke straffen en vaker vrijheidsstraffen opgelegd.

Volgens de onderzoeker gaat het zelfs nog verder: ‘we kunnen stellen dat in alle onderdelen van de strafrechtketen verschijnselen van klassenjustitie zijn aangetroffen’, variërend van sterke indicaties tot zwakke indicaties. Met de hele strafrechtketen doelt men op opsporing (politie), vervolging (Openbaar Ministerie) en berechting (rechtspraak).

Afkomst

Er is ook wat nieuwer onderzoek. Zes jaar geleden werd onder de noemer ‘etnisch gerelateerde verschillen in straftoemeting’ onderzoek gedaan naar het verschil in opgelegde straffen tussen allochtonen en autochtonen. De uitkomst was dat allochtonen vaker en zwaarder gestraft werden.

Hoewel dat verschil afvlakt als je rekening houdt met andere factoren, zoals ernst van de gepleegde feiten, strafblad of het hebben van een baan, blijft er een onverklaarbaar verschil onderaan de streep staan. De onderzoekers opperen dan ook dat stereotypering door rechters een oorzaak kan zijn. Oftewel: in het oordeel vooroordelen over afkomst van verdachten mee laten wegen.

Cultuur

Op basis van mijn eigen ervaring kan ik zeggen dat verschil in cultuur en beleving een rol speelt. Een rechtszaak is ook een verhoor ter zitting, letterlijk een gesprek met de verdachte. Als rechters een verdachte niet goed begrijpen of een bepaalde deels cultureel bepaalde houding (sterke trots bijvoorbeeld of moeite met schaamte) of gebruik van de taal (nederig, afwerend, aanvallend of volks) aanzien voor desinteresse of zelfs een gebrek aan spijt of zelfreflectie, dan kleurt dat een strafzaak.

Een verdachte die zich verbaal goed en ‘cultureel’ gewenst kan uiten en zijn gevoelens en gedachten effectief onder woorden kan brengen, komt beter over en zal ook eerder kunnen rekenen op clementie en begrip. Onbegrip tussen verdachte en rechters daarentegen leidt soms tot wrevel, onbegrip en misverstanden.

Sekse

In het tijdschrift voor Criminologie is in 2010 nog een interessant experiment te vinden dat het begrip klassenjustitie raakt. Zevenhonderd studenten deden mee aan een onderzoek naar de rol van sekse. Ze moesten gefingeerde rechtszaken beoordelen en toen bleek dat vrouwen in veel zaken lagere straffen kregen dan mannen. Andere onderzoeken (ook naar daadwerkelijke strafzaken) in binnen- en buitenland onderschrijven deze uitkomsten.

Volgens de onderzoekers kan dit mogelijk verklaard worden door de ridderlijkheidstheorie (vrouwen dienen traditioneel gezien beschermd te worden) en de perceptual shorthand-theorie (vrouwen worden als minder gevaarlijk gezien en minder genegen om te recidiveren).

Systematisch

Klassenjustitie is een behoorlijk heftig woord. Het suggereert dat rechters bewust en systematisch onderscheid maken. Door bevoorrechte mensen (en vrouwen) systematisch te ontzien en ‘gewone mannelijke burgers’ genadeloos af te straffen.

Het voert te ver om de rechtspraak in Nederland dit onverkort voor de voeten te werpen. Daarvoor spelen er te veel andere factoren mee die de uitkomst van een rechtszaak beïnvloeden en bepalen. Bovendien bestaat de rechtspraak als homogene groep niet. Er zijn rechters die heel goed contact kunnen leggen met allerlei verschillende verdachten en er zijn er die dat niet kunnen.

En zoals eerder gezegd: rechtszaken laten zich erg moeilijk vergelijken. Zelfs in op het oog gelijke mishandelingszaken zie je een veelvoud aan factoren in zowel de daad zelf als de omstandigheden en achtergronden van de verdachten.

Maar het is wel degelijk zo dat rechters opvallend anders omgaan met verschillende verdachten. Hoewel het nooit wetenschappelijk vast te stellen is of dit ook de uitkomst van een zaak zal beïnvloeden, durf ik wel voorzichtig te stellen dat de overtuiging dat een verdachte schuldig is makkelijker komt des te verder die verdachte afstaat van de wereld van de rechters.

Of dit te voorkomen is blijft de vraag. Ook rechtspraak is en blijft mensenwerk.

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Je kunt mij ook met een vast per bedrag per maand steunen: klik dan hier. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -
Delen