Home > analyse > Allochtonen: gevaarlijke testosteronbommen?
analyse

Allochtonen: gevaarlijke testosteronbommen?

Het nieuws dat een groep Belgische Marokkanen een zwembad in Nederland terroriseert, bracht weer de nodige ophef teweeg. Links en rechts was te lezen dat allochtonen een groot gevaar vormen voor ‘onze’ Nederlandse vrouwen. Die worden immers massaal misbruikt door allochtonen. Maar hoe zit het nu eigenlijk met seksueel misbruik in Nederland?

Eerst maar eens een paar algemene beschouwingen. Seksueel misbruik is een groot en omvangrijk probleem. De schatting is dat 1 op de 5 vrouwen in Nederland ooit is misbruikt. 1 op de 8 is ooit verkracht. Volgens het Centrum Seksueel Geweld gaat het om 100.000 slachtoffers per jaar. Ongeveer 10% van de slachtoffers is man, 90% dus vrouw. In 6% van de gevallen is de dader vrouw.

Vrij veel mensen hebben de indruk dat seksueel misbruik louter te herleiden is naar de enge man in de bosjes (of een groep ‘kutmarokkanen’ in een zwembad). Dat is niet zo. Zo grofweg tachtig procent van de slachtoffers heeft te maken met een dader binnen de familie- of vriendenkring. Als het gaat om verkrachting of aanranding van kinderen (de zogenaamde hands-on delicten) is de dader volgens de Nationaal Rapporteur zelfs in 87% van de gevallen een bekende van het slachtoffer.

Op basis van de beschikbare cijfers kunnen we gerust zeggen dat seksueel misbruik in Nederland grotendeels een kwestie is van bekenden onder elkaar. Dit beeld zien we ook terug in de rechtszalen. De daders zijn vaak huisvriend, sportcoach, vader, opa of vriend. We zagen het deels ook terug in de #MeToo-beweging. Duizenden verhalen van vrouwen met nare ervaringen.

Mager

Er is echter een maar. Het gaat hier slechts om de cijfers die we kennen. En die geven een ietwat magere indicatie van het werkelijke probleem. De meeste gevallen van seksueel misbruik komen simpelweg niet in de cijfers terecht. Doorgaans omdat slachtoffers bijvoorbeeld geen aangifte doen van seksueel misbruik omdat het misbruik binnen de eigen (familie)kring heeft plaatsgevonden.

De schatting van 100.000 slachtoffers per jaar vertaalt zich dan ook maar moeilijk in de harde cijfers. Zo registreert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voor 2018 bijvoorbeeld ‘maar’ 8990 seksuele delicten, waarvan nog geen 3000 verdachten. We hebben dus te maken met een ‘Dark Number’, veel zien we simpelweg niet als maatschappij. Daar komt vervolgens bij dat we maar zeer mondjesmaat beschikken over onderzoek naar de etniciteit van de daders.

Onderzoek

Maar er is wel onderzoek. In 2008 kwam een vergelijkende studie uit (Van Wijk, Blokland). Een onderzoek met behulp van een aantal verschenen rapporten. De conclusie is (heel kort door de bocht) dat allochtonen in het onderzochte jaar 2005 inderdaad oververtegenwoordigd zijn als het gaat om zedenzaken zoals verkrachting en aanranding. Het gaat (in orde van grootte) om Antillianen, gevolgd door Surinamers, mensen uit het Midden-Oosten en Marokkanen.

Opvallend genoeg is kindermisbruik dan weer het terrein van de groep autochtonen.

Bij met name Antilliaanse en Marokkaanse verdachten volgt het patroon van zedendelicten een algemener patroon van crimineel gedrag. Oftewel: de verdachten maken zich niet alleen schuldig aan zedendelicten, maar ook aan allerlei andere delicten. De zedendelicten vormen een klein deel van het totale criminele repertoire. Bij autochtonen is het zedendelict niet specifiek onderdeel van een crimineel leven, maar meer van seksueel afwijkend gedrag of voorkeuren.

Kanttekeningen

Er zijn wel een aantal kanttekeningen te plaatsen. Oververtegenwoordiging wordt vaak tamelijk makkelijk geconcludeerd door de specifieke groep (bijvoorbeeld Marokkanen) te vergelijken met de algemene (mannelijke) populatie of ‘de Nederlander’.

Dat is niet helemaal eerlijk.

Misdadig gedrag is in zijn algemeenheid vaak ingekaderd door specifieke eigenschappen. Grofweg een kwestie van voornamelijk wat jongere mannen die in meer of mindere mate niet goed mee kunnen komen in de maatschappij (of kampen met een stoornis of verslaving). De zogenaamde sociaaleconomische grondslag voor crimineel gedrag (Blom, 2005). Kinderen en bejaarden tellen nauwelijks mee in de misdaad. Vrouwen ook niet. Die groepen horen dan ook eigenlijk niet in de vergelijking.

Kort door de bocht zou je kunnen zeggen: een succesvolle student is minder genegen misdrijven te plegen dan iemand die zonder diploma van school af is gegaan en vooral op straat rondhangt. Die laatste groep (onder jonge mannen) is niet geheel toevallig vaker allochtoon. Ik schreef wat deze dynamiek betreft eerder op waarom Marokkaanse criminelen niet bestaan, maar criminele Marokkanen wel.

Een dergelijk specifiek kenmerk (geen diploma, weinig inkomsten, weinig kans op een baan) laat zich niet vergelijken met bijvoorbeeld een 67-jarige gepensioneerde vakbondsman die rustig thuiszit. Met andere woorden: je moet altijd proberen om specifieke groepen te vergelijken. Als je de oververtegenwoordiging van geweld in het uitgaansleven door studenten wenst te vergelijken, dan vergelijk je (voor een eerlijk beeld) met andere jongeren die vaak uitgaan en niet met een ‘gemiddelde’ Nederlander die twee keer per jaar de bowlingbaan bezoekt.

Als je zedenverdachten wenst te vergelijken zul je dus ook ook moeten kijken naar kenmerken die min of meer overeenkomen. En niet onverkort de algemene populatie er tegenover zetten.

Specifieker

Onderzoekers (Leuw, 1997) realiseren zich dat ook en geven toe dat de oververtegenwoordiging van allochtonen in zedendelicten al kleiner wordt als je veel specifieker vergelijkt met een vergelijkbare groep (jong, man, achterstand in maatschappij door bijvoorbeeld weinig inkomen en opleiding). Daar komt nog eens bij dat een kwart van alle jongeren (cijfers 2009) allochtoon is, terwijl het totale aandeel van de groep allochtonen in vergelijking met Nederlanders veel geringer is. Je kunt je voorstellen dat dit met name bij aanrandingen in het openbaar de cijfers nogal kleurt. Bij een groepsdelict (aanranding zwembad) komt daar nog eens bij dat tot wel tien verdachten in de cijfers terecht kunnen komen bij een enkel slachtoffer. Ook dat kan een vertekening van het cijfermatige beeld geven.

Dezelfde dynamiek zagen we overigens eerder terug bij de cijfers over criminele asielzoekers. Als je deze groep vergelijkt met ‘de Nederlander’ (of: de algemene populatie) dan komen ze vaker voor in de cijfers. Als je ze echter op basis van leefomstandigheden, leeftijd, geslacht en sociale status vergelijkt met Nederlanders in die specifieke groep, dan is er zelfs sprake van ondervertegenwoordiging.

Inzicht

Het grote probleem van het koppelen van etniciteit aan seksueel misbruik is volgens de onderzoekers het gebrek aan inzicht in de motieven en beweegredenen. Er worden suggesties gedaan over bijvoorbeeld de houding tegenover vrouwen, die in bepaalde culturen minder waard zouden zijn. De onderzoekers zien dit beeld echter verschuiven naarmate allochtonen langer in Nederland wonen. En ook met die gedachte geven de onderzoekers aan dat meer onderzoek nodig is naar wat nu precies de oorzaak is van die oververtegenwoordiging.

Feit is wel dat de verdachten die zich schuldig maken aan seksueel misbruik dit grofweg doen in het kader van een breder patroon van asociaal en crimineel gedrag (allochtonen) of aan de hand van seksueel afwijkend gedrag (autochtonen).

Simpel gezegd is er dus meer aan de hand dan etniciteit. En zou je kunnen zeggen dat de term ‘testosteronbommen’ (aan de hand van dit onderzoek) vooral gereserveerd is voor autochtonen.

Meer in zijn algemeenheid kun je stellen dat seksueel misbruik een nogal groot maatschappij-breed probleem is. En dat de meeste daders binnen de eigen vrienden of familiekring gezocht moet worden. Ik geef het u nog maar eens mee: 100.000 slachtoffers per jaar.

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Je kunt me ook met een vast per bedrag per maand steunen: klik dan hier. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -